"Het water komt"

Een deel van een brief aan alle Nederlanders van Rutger Bregman. Volledig gratis te bestellen

Klimaatverandering bedreigt het voorbestaan van ons land. Afgelopen zomer interviewde ik zeven wetenschappers over de stijgende zeespiegel, en ik schrok me rot. De dreiging van klimaatverandering is véél groter voor Nederland dan de meeste mensen zich realiseren. Er is een kans dat onze kinderen afscheid moeten nemen van steden als Den Haag en Delft, Rotterdam en Amsterdam, Leiden en Haarlem.

Toen ik op de redactie vertelde over de boodschap van deze wetenschappers, kwam mijn uitgever Milou Klein Lankhorst met een radicaal idee. 'Eigenlijk zouden zoveel mogelijk Nederlanders dit moeten weten.' (Tekst loopt door onder afbeelding.)

Winterwaal

De zeespiegel stijgt door. Zelfs als alle landen hun beloftes nakomen en het lukt om de opwarming van de aarde tot 2 graden te beperken, dan nóg lopen we volgens het KNMI risico op een 2 meter hogere zeespiegel in 2100. Als de aarde sterker opwarmt (tot 4 graden in 2100), dan halen we die 2 meter vrijwel zeker, en kunnen we in 2200 uitkomen op 5 tot 8 meter.
Om je een idee te geven: de Deltawerken zijn berekend op een stijging van 40 centimeter.
De uitdaging waar Nederland voor staat is, kortom, van ongekende omvang. Bijna 70 procent van onze bevolking woont in overstromingsgevoelig gebied, en dat aandeel neemt alleen maar toe.  De Randstad – waar meer dan acht miljoen mensen wonen – is een enorme badkuip die ieder jaar verder wegzakt, terwijl het water stijgt.

‘De modellen gaan er nu van uit dat het rond 2050 echt gaat beginnen’, vertelt Marjolijn Haasnoot, onderzoeker waterbeheer. ‘Mijn kinderen zijn dan even oud als ik nu. Het is helemaal niet zo ver weg als we denken.’ Alle experts die ik spreek, denken dat we een stijging tot 2 meter aankunnen, mits we extreme maatregelen nemen waarbij het huidige Deltaprogramma verbleekt. Dan bouwen we de grootste gemalen ter wereld.
Dan pompen we 24 uur per dag, zeven dagen per week het water uit onze lage rivieren de hoge zee in. Dan hebben we 25 keer zo veel zand nodig om de kust te versterken.
Dan zal een vloot van baggerschepen permanent in de Noordzee liggen om het zand steeds weer de kust op te spuiten.

En dat zou nog maar het begin zijn. Als de aarde meer dan 2 graden opwarmt, zal de zeespiegel verder stijgen en moeten we nog groter denken.  Johan van Veen dacht al aan een gigantische dam, van Noorwegen tot Engeland. Anderen hebben het over een enorme zeewering van Noord-Frankrijk tot Denemarken. Of zoiets zal lukken? De meningen verschillen. ‘Ik denk dat we nog eerder kieuwen krijgen’, merkt geograaf Maarten Kleinhans droogjes op.  De Utrechtse professor hoort bij de Cassandra’s die denken dat het afgelopen is als de zeespiegel meer dan 2 meter stijgt. ‘Alleen bij de technische opleidingen in bijvoorbeeld Delft zul je mensen vinden die denken dat we het dan nog redden. Van die types die geloven in de maakbare wereld.’
En dus besluit ik die types eens te bellen.

Bas Jonkman is een van de jongste hoogleraren van de TU Delft. Het is moeilijk om geen energie te krijgen van Jonkmans spervuur aan ideeën en plannen. De Delftse professor benadrukt dat er veel mogelijk is, óók als de zeespiegel meer dan 2 meter stijgt. We kunnen, bijvoorbeeld, zelf de aanval inzetten. Dan spuiten we eerst een paar eilanden op om de golven vast wat te breken. Die eilanden plempen we vol met windmolens, of eventueel verplaatsen we Schiphol naar zee. Als het water dan nog verder stijgt, verbinden we de eilanden met één grote ringdijk, waardoor een binnenmeer voor de kust van Scheveningen ontstaat.

De gevolgen van zo’n plan zullen, toegegeven, niet mals zijn voor het zeeleven. (Onder ecologen gaat het gezegde dat Nederland twee milieurampen heeft gekend: de Afsluitdijk en de Deltawerken.) Maar Jonkman laat zich niet uit het veld slaan door die kritiek. De natuur is dynamisch, en kan zich ook weer herstellen. ‘Ik ben gewend in oplossingen te denken, niet in problemen.’

Ondertussen staat één ding als een paal boven water. Hoe sterk de ecologen en ingenieurs ook van mening verschillen, over het belangrijkste zijn ze het eens. We moeten, koste wat kost, voorkomen dat we überhaupt te maken krijgen met een zeespiegelstijging van meer dan 2 meter. En daarvoor moeten we – wereldwijd – de uitstoot van broeikasgassen zo snel mogelijk naar nul brengen.
 
De Nieuwe Deltawerken bestaan niet alleen uit dammen en dijken, bruggen en eilanden. Het Deltaplan van onze tijd gaat óók over zonnepanelen en windmolens, flitstreinen en megabatterijen.

Dit besef lijkt eindelijk doorgedrongen tot Den Haag. Op 28 mei 2019 werd de Klimaatwet aangenomen door de Eerste Kamer. Hier vind je de volledige tekst van de Klimaatwet.In 2030, zo hebben we afgesproken, stoten we 49 procent minder broeikasgassen uit ten opzichte van 1990. In 2050 minstens 95 procent. Is dat veel? Is dat snel? Laat ik de uitdaging wat concreter maken.

Acht miljoen gebouwen moeten van het gas af, negen miljoen auto’s moeten op stroom of waterstof gaan rijden, het elektriciteitsnet moet minstens drie keer zo zwaar worden, een kwart van de Noordzee moet worden volgebouwd met windmolens, 75 miljoen zonnepanelen moeten worden aangesloten, 100.000 hectare bos moet worden aangeplant, en we hebben tig technologieën nodig die nog niet eens zijn uitgevonden. Dit wordt de grootste verbouwing van ons land. Ooit.

In Nederland kruideniersland wordt nu nog gesoebat over de kosten van deze revolutie. Dan roept een politicus dat het wel 1.000 miljard euro kan zijn.  Journalisten factchecken dat cijfer en komen uit op een kleiner bedrag van 500 tot 700 miljard euro.
Maar vergis je niet, ook dat is krankzinnig. Dan hebben we het over 70 tot 100 procent van het bruto binnenlands product (bbp).  Vijf keer zo veel als de Deltawerken.
Natuurlijk zullen veel technieken goedkoper worden als we ze grootschalig inzetten. Natuurlijk kunnen we de kosten uitsmeren over dertig jaar, wat betekent dat de jaarlijkse kosten ‘slechts’ 3 procent van het bbp zullen bedragen (evenveel als we nu uitgeven aan vakanties).
Maar toch. Als mensen zeggen: ‘Die energietransitie wordt peperduur’, dan hebben ze gelijk. Natuurlijk wordt ze peperduur. Wat hadden we anders gedacht? Sinds 1953 hebben we niet voor zo’n uitdaging gestaan. Het is alle hens aan dek.
 
Onder de dijkgraven van Holland is er een oud gezegde: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood, en af en toe een watersnood.’

En inderdaad, er wás steeds een ramp nodig om ons wakker te schudden.In 1916 moest eerst Noord-Nederland onderlopen voordat we begonnen aan de bouw van de Afsluitdijk. In 1953 moest eerst Zuid-Nederland verdrinken voordat we begonnen aan de bouw van de Deltawerken.
Dus moet het nu weer misgaan? Moet het water oprukken tot de Veluwe voordat we stoppen met gemiep over dure warmtepompen en lelijke windmolens? Zullen we dan pas beseffen dat we een revolutie moeten doormaken, de totale economie moeten transformeren en een gidsland voor de rest van de wereld moeten zijn?
Eén ding is zeker: willen we ons land behouden, dan moeten we strijd leveren. Strijd tegen het water, en strijd tegen onszelf. Tegen onze eigen apathie. Tegen onze eigen zuinigheid.
Natuurlijk, aan de ene kant zijn we een volk van klagers en zeikers, zeurpieten en mopperaars. Een volk dat ziende blind kan zijn, zelfs als twintig jaar lang de waarheid onder onze neus wordt gewreven. (Het tijdschrift Elsevier, dat Johan van Veen in 1952 nog wegzette als ‘paniekzaaier’, rept nu over ‘de paniekfabriek van klimaatverandering’.)
Toch zijn we ook een volk dat boven zichzelf uit kan stijgen. Dat tot ongelofelijke dingen in staat is. Niet omdat we verlangen naar een voetstuk, een standbeeld of applaus van ons nageslacht – want dat krijgen we toch niet. In Nederland mag je blij zijn met een lelijk standbeeld tegenover een supermarkt.
Nee, we kunnen dit, omdat we een land van polderaars zijn. Omdat we water in land veranderen. Omdat God de wereld schiep, maar wij Nederland. Omdat onze toekomst, ook nu, in onze eigen handen ligt.

Rutger Bregman
Januari 2020, Houten (nu nog 2 meter boven NAP)
Bron: De Correspondent